De in bijlage 1bij dit besluit genoemde functionarissen zijn binnen de grenzen van het departementale personeelsbeleid gemachtigd tot het behandelen en afdoen van personeelsaangelegenheden hun directie of dienst en de daaronder ressorterende diensten en instellingen betreffende, zoals aangegeven in bijlage 2bij dit besluit.
De in artikel 2bedoelde functionarissen kunnen bepalen dat personeelsaangelegenheden als bedoeld in artikel 2onder hun verantwoordelijkheid zullen worden behandeld en afgedaan door functionarissen die nader door hen worden aangewezen nadat voor deze aanwijzing de instemming van de directeur Personeel en Organisatie is verkregen.
Bij het behandelen en afdoen van personeelsaangelegenheden als bedoeld in artikel 2worden – onverminderd het bepaalde in algemeen verbindende voorschriften en regelingen, richtlijnen en aanwijzingen die van algemene strekking zijn voor personen werkzaam in de rijksdienst – de door of namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gegeven richtlijnen in acht genomen.
1. De ondertekening van stukken betrekking hebbende op het behandelen en afdoen van personeelsaangelegenheden als bedoeld in artikel 2luidt:
DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT,
voor deze:
DE DIRECTEUR…..
2. In de gevallen als bedoeld in artikel 3luidt de ondertekening als aangegeven in het eerste lid onder de toevoeging van het woord: loco.
DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT,
voor deze:
DE DIRECTEUR…..
loco
De in artikel 2bedoelde functionarissen rapporteren periodiek aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het door hen gevoerde personeelsbeleid, in overeenstemming met de ter zake van deze verslaglegging door of namens de Minister gegeven richtlijnen.
Door of namens de in artikel 2bedoelde functionarissen worden met betrekking tot personeelsaangelegenheden als bedoeld in dat artikel aan de directeur Personeel en Organisatie alle gegevens verstrekt die deze nodig acht voor de uitoefening van zijn functie.
Dit besluit treedt in werking op 1 mei 2006. Hiermee vervallen de besluiten van 1 november 1991 (P91-12140), 1 december 1996 (P&O 96.6373) en 1 december 1996 (P&O 96.6374). Hiermee vervalt ook de basis voor eventueel verstrekte ondermandaten en alle overige verstrekte personeelsmandaten die gebaseerd zijn op een ander besluit dan dit besluit.