1. De jonggehandicapte, bedoeld in
artikel 6 van de WAJONG, die op 1 januari van een kalenderjaar de leeftijd van 18, 19, 20, 21 of 22 jaar heeft bereikt, heeft met ingang van 1 januari van dat jaar gedurende dat jaar recht op een maandelijkse tegemoetkoming.
2. De tegemoetkoming bedraagt:
a. voor een 18-jarige: € 13,50;
b. voor een 19-jarige: € 12,92;
c. voor een 20-jarige: € 7,75;
d. voor een 21-jarige: € 3,83;
e. voor een 22-jarige: € 1,58.
3. In afwijking van het eerste lid heeft de jonggehandicapte, bedoeld in
artikel 6 van de WAJONG, aan wie in de loop van een kalenderjaar een uitkering op grond van de
WAJONGwordt toegekend, met ingang van de dag van toekenning recht op een bij zijn leeftijd op de dag van toekenning behorende tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid.
4. De betaling van de tegemoetkoming geschiedt tezamen met de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
5. Met ingang van de dag, waarop het bedrag van het minimumloon, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslagwijzigt worden de bedragen van de tegemoetkoming herzien met het percentage van deze wijziging.