1. De zorgverzekeraar, bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswetverlangt van een verzekerde als bedoeld in
artikel 1, onderdeel f, van die wetdie op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de in
artikel 4.3, tweede lid, van het Besluit zorgverzekeringgenoemde bepalingen van
dat besluitin het bezit was van een indicatiebesluit, een door een zorgverzekeraar als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenverleende toestemming of een verwijzing voor de in
dat artikelgeregelde zorg, niet dat toestemming wordt gevraagd of een verwijzing wordt overgelegd. Het indicatiebesluit, de toestemming of de verwijzing gelden als titel voor het verkrijgen van de verzekerde prestaties gedurende de periode waarvoor het indicatiebesluit, de toestemming of de verwijzing geldt.
2. Indien een verzekerde als bedoeld in
artikel 1, onderdeel f, van de Zorgverzekeringswetingevolge de zorgverzekering recht heeft op de levering van zorg door zijn zorgverzekeraar en op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de in
artikel 4.3, tweede lid, van het Besluit zorgverzekeringgenoemde bepalingen van
dat besluitals verzekerde ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenin dat artikel geregelde zorg ontving van een zorgaanbieder met welke de zorgverzekeraar daartoe geen overeenkomst heeft gesloten, heeft de verzekerde desalniettemin recht op zorgverlening door die zorgaanbieder voor rekening van de zorgverzekeraar.