BWBR0019161
Geldig vanaf 2013-12-21
Artikel 2.6.7
Regeling subsidies AWBZ
1. De verzekerde van achttien jaar of ouder aan wie een persoongebonden budget is verleend is een bijdrage verschuldigd van:
a. 33% van het bruto persoonsgebonden budget voor persoonlijke verzorging;
b. 20% van het bruto persoonsgebonden budget voor verpleging;
c. 27% van het bruto persoonsgebonden budget voor begeleiding.
2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in 2014 niet meer dan:
a. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 247,68, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 23.295 het bedrag van € 247,68 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 23.295;
b. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt € 247,68, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 16.456 het bedrag van € 247,68 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16.456;
c. voor de gehuwde verzekerden indien een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt € 354,57, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 29.174 het bedrag van € 354,57 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 29.174;
d. voor de gehuwde verzekerden die beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt € 354,57, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 22.957 het bedrag van € 354,57 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 22.957.
3. Bij de uitvoering van het tweede lid gaat het zorgkantoor uit van het bijdrageplichtige inkomen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008253/artikel/16e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16e, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg</a>, in het kalenderjaar voorafgaande aan het peiljaar indien aan de verzekerde op 31 december van het voorgaande kalenderjaar een persoonsgebonden budget is verleend en het bijdrageplichtige inkomen, bedoeld in artikel 16e, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg, in het peiljaar op 1 maart van het kalenderjaar niet bekend is bij het zorgkantoor.
4. Het zorgkantoor vermindert de bijdrage die de verzekerde op grond van het tweede en derde lid maximaal verschuldigd is met een eigen bijdrage die verschuldigd is ingevolge de <a href="/wet/BWBR0020031" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet maatschappelijke ondersteuning</a>en het aandeel van de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming ingevolge <a href="/wet/BWBR0020031" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">die wet</a>voor eigen rekening komt alsmede met een bijdrage die verschuldigd is op grond van <a href="/wet/BWBR0008253/artikel/16d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg</a>.
5. Op de met toepassing van het eerste tot en met het vierde lid vastgestelde eigen bijdrage wordt een korting van 33% toegepast.
6. De <a href="/wet/BWBR0008253/artikel/16d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 16d, zesde lid, onderdeel a</a>, en <a href="/wet/BWBR0008253/artikel/16e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">16e, tweede tot en met het vijfde lid van het Bijdragebesluit zorg</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
a. 33% van het bruto persoonsgebonden budget voor persoonlijke verzorging;
b. 20% van het bruto persoonsgebonden budget voor verpleging;
c. 27% van het bruto persoonsgebonden budget voor begeleiding.
2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in 2014 niet meer dan:
a. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 247,68, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 23.295 het bedrag van € 247,68 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 23.295;
b. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt € 247,68, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 16.456 het bedrag van € 247,68 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16.456;
c. voor de gehuwde verzekerden indien een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt € 354,57, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 29.174 het bedrag van € 354,57 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 29.174;
d. voor de gehuwde verzekerden die beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt € 354,57, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtige inkomen meer bedraagt dan € 22.957 het bedrag van € 354,57 wordt verhoogd met 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 22.957.
3. Bij de uitvoering van het tweede lid gaat het zorgkantoor uit van het bijdrageplichtige inkomen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008253/artikel/16e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16e, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg</a>, in het kalenderjaar voorafgaande aan het peiljaar indien aan de verzekerde op 31 december van het voorgaande kalenderjaar een persoonsgebonden budget is verleend en het bijdrageplichtige inkomen, bedoeld in artikel 16e, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg, in het peiljaar op 1 maart van het kalenderjaar niet bekend is bij het zorgkantoor.
4. Het zorgkantoor vermindert de bijdrage die de verzekerde op grond van het tweede en derde lid maximaal verschuldigd is met een eigen bijdrage die verschuldigd is ingevolge de <a href="/wet/BWBR0020031" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet maatschappelijke ondersteuning</a>en het aandeel van de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming ingevolge <a href="/wet/BWBR0020031" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">die wet</a>voor eigen rekening komt alsmede met een bijdrage die verschuldigd is op grond van <a href="/wet/BWBR0008253/artikel/16d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg</a>.
5. Op de met toepassing van het eerste tot en met het vierde lid vastgestelde eigen bijdrage wordt een korting van 33% toegepast.
6. De <a href="/wet/BWBR0008253/artikel/16d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 16d, zesde lid, onderdeel a</a>, en <a href="/wet/BWBR0008253/artikel/16e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">16e, tweede tot en met het vijfde lid van het Bijdragebesluit zorg</a>zijn van overeenkomstige toepassing.