BWBR0019161
Geldig vanaf 2013-12-21
Artikel 2.6.10
Regeling subsidies AWBZ
1. Het zorgkantoor bevoorschot de verzekerde het verleende netto persoonsgebonden budget:
a. per kwartaal, indien het tot een jaarbudget herleide bedrag € 15.000 of minder bedraagt;
b. per maand, indien het tot een jaarbudget herleide bedrag meer dan € 15.000 bedraagt.
2. Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar aanvangt of op een andere dag dan 31 december eindigt, wordt voor de toepassing van het eerste lid het voor dat jaar beschikbare budget tot een jaarbedrag herleid door het desbetreffende budget te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal dagen in het kalenderjaar en de noemer gelijk is aan het aantal dagen van de subsidieperiode in het kalenderjaar.
3. Het zorgkantoor betaalt het voorschot uit op de bankrekening van de verzekerde.
4. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor het voorschot van de minderjarige verzekerde uit op de bankrekening van diens ouders of voogd, tenzij de ouder of voogd verzoekt om uitbetaling op de bankrekening van de minderjarige.
5. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor het voorschot van de verzekerde die onder curatele staat als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/378" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:378 en volgende van het Burgerlijk Wetboek</a>of onder bewindvoering staat als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/431" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:431 en volgende van die wet</a>uit op de door de curator of bewindvoerder ten name van de verzekerde geopende bankrekening.
6. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor, indien het zorgkantoor op grond van artikel 2.6.3b, derde lid, het persoonsgebonden budget heeft verleend aan een organisatie die is belast met de ondertoezichtstelling op de verzekerde, het voorschot uit op de bankrekening van die organisatie.
7. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor, indien het zorgkantoor op grond van artikel 2.6.3b, derde lid, het persoonsgebonden budget heeft verleend aan een organisatie die een reclasseringsmaatregel uitoefent krachtens een uitspraak van de rechter of het Openbaar Ministerie op grond van <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/14d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14d</a>, <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/15b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 15b, tweede lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0001854" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Boek I, Titel VIII A Bijzondere bepalingen voor jeugdige personen van het Wetboek van Strafrecht</a>, het voorschot uit op de bankrekening van die organisatie.
8. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor het voorschot op verzoek van de verzekerde die verblijft in een klooster, uit op de bankrekening van dat klooster, indien de verzekerde op grond van kerkrechtelijke voorschriften niet over een eigen bankrekening mag beschikken.
9. Indien een trekkingsrecht is verleend, wordt het voorschot in afwijking van het derde lid betaald aan de Sociale verzekeringsbank.
a. per kwartaal, indien het tot een jaarbudget herleide bedrag € 15.000 of minder bedraagt;
b. per maand, indien het tot een jaarbudget herleide bedrag meer dan € 15.000 bedraagt.
2. Indien een subsidieperiode met ingang van een andere dag dan 1 januari van een kalenderjaar aanvangt of op een andere dag dan 31 december eindigt, wordt voor de toepassing van het eerste lid het voor dat jaar beschikbare budget tot een jaarbedrag herleid door het desbetreffende budget te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal dagen in het kalenderjaar en de noemer gelijk is aan het aantal dagen van de subsidieperiode in het kalenderjaar.
3. Het zorgkantoor betaalt het voorschot uit op de bankrekening van de verzekerde.
4. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor het voorschot van de minderjarige verzekerde uit op de bankrekening van diens ouders of voogd, tenzij de ouder of voogd verzoekt om uitbetaling op de bankrekening van de minderjarige.
5. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor het voorschot van de verzekerde die onder curatele staat als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/378" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:378 en volgende van het Burgerlijk Wetboek</a>of onder bewindvoering staat als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/431" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:431 en volgende van die wet</a>uit op de door de curator of bewindvoerder ten name van de verzekerde geopende bankrekening.
6. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor, indien het zorgkantoor op grond van artikel 2.6.3b, derde lid, het persoonsgebonden budget heeft verleend aan een organisatie die is belast met de ondertoezichtstelling op de verzekerde, het voorschot uit op de bankrekening van die organisatie.
7. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor, indien het zorgkantoor op grond van artikel 2.6.3b, derde lid, het persoonsgebonden budget heeft verleend aan een organisatie die een reclasseringsmaatregel uitoefent krachtens een uitspraak van de rechter of het Openbaar Ministerie op grond van <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/14d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14d</a>, <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/15b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 15b, tweede lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0001854" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Boek I, Titel VIII A Bijzondere bepalingen voor jeugdige personen van het Wetboek van Strafrecht</a>, het voorschot uit op de bankrekening van die organisatie.
8. In afwijking van het derde lid betaalt het zorgkantoor het voorschot op verzoek van de verzekerde die verblijft in een klooster, uit op de bankrekening van dat klooster, indien de verzekerde op grond van kerkrechtelijke voorschriften niet over een eigen bankrekening mag beschikken.
9. Indien een trekkingsrecht is verleend, wordt het voorschot in afwijking van het derde lid betaald aan de Sociale verzekeringsbank.