BWBR0019161
Geldig vanaf 2013-12-21
Artikel 2.5.6a
Regeling subsidies AWBZ
1. De MEE-organisatie kan, ten laste van de subsidie voor collectieve en individuele cliëntondersteuning, uitsluitend de volgende voorzieningen vormen voor:
a. onderhoud huisvesting gebaseerd op een door het bestuur van de MEE-organisatie goedgekeurd onderhoudsplan;
b. financiering van een spaar/verlofovereenkomst overeenkomstig de CAO Gehandicaptenzorg ten behoeve van de opbouw van een doorbetaald langdurig verlof in een toekomstig jaar;
c. loonkosten als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de CAO Gehandicaptenzorg waarvoor de MEE-organisatie niet verzekerd is;
d. kosten van arbeidsrechtelijke geschillen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een gerechtelijke uitspraak;
e. wachtgelden die voortvloeien uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst.
2. Voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald, is op deze voorzieningen <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/374" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 374 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek</a>van toepassing.
3. Toevoeging aan de voorziening bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is slechts mogelijk voor zover de huisvestingskosten lager zijn dan 12,8% van de voor collectieve en individuele cliëntondersteuning verleende subsidie en voor zover de voorziening niet meer bedraagt dan 10% van de op grond van de <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet waardering onroerende zaken</a>vastgestelde waarde van het pand.
4. Toevoeging aan de voorziening bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is slechts mogelijk voor zover deze voorziening, inclusief de toevoeging, niet meer bedraagt dan 7,56% van de bruto salariskosten in het subsidiejaar.
5. Toevoeging aan de voorziening bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is slechts mogelijk voor zover deze voorziening, inclusief de toevoeging, niet meer bedraagt dan 10% van de subsidie die is verleend voor collectieve en individuele cliëntondersteuning.
6. Kosten waarvoor een voorziening als bedoeld in de voorgaande leden is gevormd, worden ten laste van die voorziening gebracht.
a. onderhoud huisvesting gebaseerd op een door het bestuur van de MEE-organisatie goedgekeurd onderhoudsplan;
b. financiering van een spaar/verlofovereenkomst overeenkomstig de CAO Gehandicaptenzorg ten behoeve van de opbouw van een doorbetaald langdurig verlof in een toekomstig jaar;
c. loonkosten als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de CAO Gehandicaptenzorg waarvoor de MEE-organisatie niet verzekerd is;
d. kosten van arbeidsrechtelijke geschillen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een gerechtelijke uitspraak;
e. wachtgelden die voortvloeien uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst.
2. Voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald, is op deze voorzieningen <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/374" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 374 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek</a>van toepassing.
3. Toevoeging aan de voorziening bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is slechts mogelijk voor zover de huisvestingskosten lager zijn dan 12,8% van de voor collectieve en individuele cliëntondersteuning verleende subsidie en voor zover de voorziening niet meer bedraagt dan 10% van de op grond van de <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet waardering onroerende zaken</a>vastgestelde waarde van het pand.
4. Toevoeging aan de voorziening bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is slechts mogelijk voor zover deze voorziening, inclusief de toevoeging, niet meer bedraagt dan 7,56% van de bruto salariskosten in het subsidiejaar.
5. Toevoeging aan de voorziening bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is slechts mogelijk voor zover deze voorziening, inclusief de toevoeging, niet meer bedraagt dan 10% van de subsidie die is verleend voor collectieve en individuele cliëntondersteuning.
6. Kosten waarvoor een voorziening als bedoeld in de voorgaande leden is gevormd, worden ten laste van die voorziening gebracht.