BWBR0019161
Geldig vanaf 2013-12-21
Artikel 2.5.4b
Regeling subsidies AWBZ
1. De voor collectieve en individuele cliëntondersteuning ten behoeve van 2014 op grond van artikel 2.5.4ate verlenen subsidies van de MEE-organisaties die voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner meer dan het landelijk gemiddelde subsidiebedrag voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner zouden ontvangen, worden verlaagd met maximaal 5% tot ten laagste het bedrag waarbij het subsidiebedrag voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner gelijk is aan het landelijk gemiddelde subsidiebedrag voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner.
2. De na toepassing van het eerste lid beschikbaar zijnde middelen worden toegevoegd aan de voor collectieve en individuele cliëntondersteuning te verlenen subsidies van de MEE-organisaties die voor collectieve en individuele cliëntondersteuning het laagste subsidiebedrag per inwoner zouden ontvangen. De voor collectieve en individuele cliëntondersteuning te verlenen subsidie van de desbetreffende MEE-organisaties wordt gelijkelijk verhoogd ten hoogste tot het bedrag waarbij het subsidiebedrag per inwoner van de desbetreffende MEE-organisaties gelijk is aan het één na laagste te verlenen subsidiebedrag voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner. Dit wordt herhaald tot de middelen volledig verdeeld zijn of tot het subsidiebedrag voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner van de desbetreffende MEE-organisaties gelijk is aan het landelijk gemiddelde subsidiebedrag voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner.
3. Bij het bepalen van de subsidiebedragen per inwoner, bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt uitgegaan van het aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een MEE-organisatie waarvan de MEE-index, vermeld in bijlage 1, lager is dan de Wmo-index, vermeld in bijlage 1.
2. De na toepassing van het eerste lid beschikbaar zijnde middelen worden toegevoegd aan de voor collectieve en individuele cliëntondersteuning te verlenen subsidies van de MEE-organisaties die voor collectieve en individuele cliëntondersteuning het laagste subsidiebedrag per inwoner zouden ontvangen. De voor collectieve en individuele cliëntondersteuning te verlenen subsidie van de desbetreffende MEE-organisaties wordt gelijkelijk verhoogd ten hoogste tot het bedrag waarbij het subsidiebedrag per inwoner van de desbetreffende MEE-organisaties gelijk is aan het één na laagste te verlenen subsidiebedrag voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner. Dit wordt herhaald tot de middelen volledig verdeeld zijn of tot het subsidiebedrag voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner van de desbetreffende MEE-organisaties gelijk is aan het landelijk gemiddelde subsidiebedrag voor collectieve en individuele cliëntondersteuning per inwoner.
3. Bij het bepalen van de subsidiebedragen per inwoner, bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt uitgegaan van het aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een MEE-organisatie waarvan de MEE-index, vermeld in bijlage 1, lager is dan de Wmo-index, vermeld in bijlage 1.