BWBR0019161
Geldig vanaf 2013-12-21
Artikel 1.8.11
Regeling subsidies AWBZ
1. In de gevallen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:41" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>, is de subsidieontvanger aan het Zorginstituut een door het Zorginstituut te bepalen vergoeding verschuldigd.
2. De subsidieontvanger meldt meteen aan het Zorginstituut als zich een geval, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:41" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:41, tweede lid, onder a, b, c of e, van de Algemene wet bestuursrecht</a>, voordoet.
3. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen, waaronder de egalisatiereserve, op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat:
a. de waarde van de egalisatiereserve gelijk is aan het bedrag van de egalisatiereserve;
b. de waarde van een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken gelijk is aan het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen;
c. de waarde van onroerende zaken wordt bepaald door drie onafhankelijke deskundigen. Het Zorginstituut en de subsidieontvanger wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
4. De vergoeding aan het Zorginstituut voor goederen en andere vermogensbestanddelen, waaronder de egalisatiereserve, die geheel zijn gevormd met de subsidie, is gelijk aan hun waarde. De vergoeding aan het Zorginstituut voor goederen en andere vermogensbestanddelen, die gedeeltelijk zijn gevormd met de subsidie, is gelijk aan de waarde waarmee de subsidiëring door het Zorginstituut in verhouding tot andere middelen aan de vorming van dat vermogen heeft bijgedragen.
5. Na toestemming van de minister kan het Zorginstituut de vergoeding in afwijking van het vierde lid op een lager bedrag of op nihil bepalen.
2. De subsidieontvanger meldt meteen aan het Zorginstituut als zich een geval, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:41" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:41, tweede lid, onder a, b, c of e, van de Algemene wet bestuursrecht</a>, voordoet.
3. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen, waaronder de egalisatiereserve, op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat:
a. de waarde van de egalisatiereserve gelijk is aan het bedrag van de egalisatiereserve;
b. de waarde van een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken gelijk is aan het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen;
c. de waarde van onroerende zaken wordt bepaald door drie onafhankelijke deskundigen. Het Zorginstituut en de subsidieontvanger wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
4. De vergoeding aan het Zorginstituut voor goederen en andere vermogensbestanddelen, waaronder de egalisatiereserve, die geheel zijn gevormd met de subsidie, is gelijk aan hun waarde. De vergoeding aan het Zorginstituut voor goederen en andere vermogensbestanddelen, die gedeeltelijk zijn gevormd met de subsidie, is gelijk aan de waarde waarmee de subsidiëring door het Zorginstituut in verhouding tot andere middelen aan de vorming van dat vermogen heeft bijgedragen.
5. Na toestemming van de minister kan het Zorginstituut de vergoeding in afwijking van het vierde lid op een lager bedrag of op nihil bepalen.