1. De
Kaderwet bestuur in veranderingwordt ingetrokken.
2. Een gemeenschappelijke regeling, getroffen krachtens de
Kaderwet bestuur in verandering, geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet als een regeling, tot stand gekomen op basis van
hoofdstuk XI van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
3. Het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in het tweede lid, wijzigt binnen acht weken na inwerkingtreding van deze wet de gemeenschappelijke regeling voor zover dat noodzakelijk is in verband met de inwerkingtreding van deze wet. De gewijzigde regeling wordt gezonden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die de regeling opneemt in het register, bedoeld in
artikel 109, eerste lid, en aan gedeputeerde staten.
4. Indien het bestuur van een gemeente die deel uitmaakt van een gemeenschappelijke regeling waarbij een openbaar lichaam als bedoeld in het tweede lid is ingesteld, binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze wet gedeputeerde staten meedeelt dat het een besluit als bedoeld in
artikel 110, eerste lid, gewenst acht en indien gedeputeerde staten naar aanleiding van deze mededelingen gemeenten uitnodigen tot aanpassing of opheffing van de plusregio over te gaan, vindt de besluitvorming over deze aanpassing of opheffing plaats binnen een jaar na inwerkingtreding van deze wet. De
artikelen 114en
120zijn van overeenkomstige toepassing.