1. De Minister van Economische Zaken wijst de voorzitter, tevens lid, aan.
2. De Minister van Economische Zaken wijst de secretaris, tevens lid, aan.
3. De Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Justitie, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijzen elk een ambtenaar als lid aan, en wijzen elk een ambtenaar als plaatsvervangend lid aan.
4. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wijst een ambtenaar van het directoraat-generaal Milieu en een ambtenaar van het directoraat-generaal Wonen als lid aan, en wijst van elk van de twee genoemde directoraten-generaal een ambtenaar als plaatsvervangend lid aan.
5. De Ministers van Defensie, van Financiën en van Buitenlandse Zaken kunnen een ambtenaar als lid aanwijzen, en een ambtenaar als plaatsvervangend lid aanwijzen.