BWBR0018979
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 5.1.1
Levensloopregeling rijkspersoneel
1. In geval van ontslag blijft het levenslooptegoed bij de levensloopinstellingen staan, tenzij de ambtenaar door middel van een aanvraag aan het bevoegd gezag kenbaar maakt wat er met het levenslooptegoed moet gebeuren. In de aanvraag vermeldt de ambtenaar:
a. het bedrag uit het levenslooptegoed waarover hij wenst te beschikken;
b. het bedrag dat naar de nieuwe levensloopinstellingen moet worden overgemaakt indien hij het levenslooptegoed geheel of gedeeltelijk wil inbrengen in de levensloopregeling van de werkgever bij wie hij in dienst zal treden;
c. indien van toepassing, de gegevens van de nieuwe levensloopinstellingen;
d. indien van toepassing, de nummers van de nieuwe levenslooprekeningen, de polisnummers van de nieuwe levensloopverzekeringen of de rekeningnummers van het levenslooprecht van deelneming.
2. Indien de ambtenaar geheel of gedeeltelijk over het levenslooptegoed wenst te beschikken, bevat de aanvraag een machtiging van de ambtenaar om een uitkering ter grootte van het in de aanvraag aangegeven bedrag ten laste van diens levenslooptegoed aan het bevoegd gezag te verstrekken op een door dat gezag aangegeven wijze.
3. Het bevoegd gezag kent de aanvraag toe binnen 30 dagen na de datum waarop deze is ontvangen en maakt het besluit op de aanvraag binnen 14 dagen bekend aan de ambtenaar en de levensloopinstelling.
4. Na ontvangst van de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt deze na inhouding van loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet door het bevoegd gezag uitgekeerd aan de ambtenaar.
5. De levensloopinstelling maakt het in het eerste lid, onder b, bedoelde bedrag rechtstreeks over naar de nieuwe levensloopinstelling.
6. De aanvraag wordt gedaan op een door de minister voor Wonen en Rijksdienst aangegeven wijze.
a. het bedrag uit het levenslooptegoed waarover hij wenst te beschikken;
b. het bedrag dat naar de nieuwe levensloopinstellingen moet worden overgemaakt indien hij het levenslooptegoed geheel of gedeeltelijk wil inbrengen in de levensloopregeling van de werkgever bij wie hij in dienst zal treden;
c. indien van toepassing, de gegevens van de nieuwe levensloopinstellingen;
d. indien van toepassing, de nummers van de nieuwe levenslooprekeningen, de polisnummers van de nieuwe levensloopverzekeringen of de rekeningnummers van het levenslooprecht van deelneming.
2. Indien de ambtenaar geheel of gedeeltelijk over het levenslooptegoed wenst te beschikken, bevat de aanvraag een machtiging van de ambtenaar om een uitkering ter grootte van het in de aanvraag aangegeven bedrag ten laste van diens levenslooptegoed aan het bevoegd gezag te verstrekken op een door dat gezag aangegeven wijze.
3. Het bevoegd gezag kent de aanvraag toe binnen 30 dagen na de datum waarop deze is ontvangen en maakt het besluit op de aanvraag binnen 14 dagen bekend aan de ambtenaar en de levensloopinstelling.
4. Na ontvangst van de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt deze na inhouding van loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet door het bevoegd gezag uitgekeerd aan de ambtenaar.
5. De levensloopinstelling maakt het in het eerste lid, onder b, bedoelde bedrag rechtstreeks over naar de nieuwe levensloopinstelling.
6. De aanvraag wordt gedaan op een door de minister voor Wonen en Rijksdienst aangegeven wijze.