BWBR0018979
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 3.1.1
Levensloopregeling rijkspersoneel
1. Zes maanden voor het begin van de levensloopverlofperiode dient de ambtenaar een aanvraag in bij het bevoegd gezag.
2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag toestaan dat een kortere aanvraagtermijn in acht wordt genomen.
3. De aanvraag om toekenning van levensloopverlof bevat de volgende gegevens:
a. de datum waarop de levensloopverlofperiode ingaat;
b. het aantal uren levensloopverlof dat wordt opgenomen;
c. de verdeling van de uren levensloopverlof over de weken;
d. het percentage van de berekeningsgrondslag dat als uitkering moet worden uitbetaald;
e. een machtiging van de ambtenaar om een eenmalige of maandelijkse uitkering ter grootte van het in de aanvraag aangegeven bedrag ten laste van diens levenslooptegoed aan het bevoegd gezag te verstrekken op een door dat gezag aangegeven wijze.
4. De aanvraag wordt gedaan op een door de minister voor Wonen en Rijksdienst aangegeven wijze.
2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag toestaan dat een kortere aanvraagtermijn in acht wordt genomen.
3. De aanvraag om toekenning van levensloopverlof bevat de volgende gegevens:
a. de datum waarop de levensloopverlofperiode ingaat;
b. het aantal uren levensloopverlof dat wordt opgenomen;
c. de verdeling van de uren levensloopverlof over de weken;
d. het percentage van de berekeningsgrondslag dat als uitkering moet worden uitbetaald;
e. een machtiging van de ambtenaar om een eenmalige of maandelijkse uitkering ter grootte van het in de aanvraag aangegeven bedrag ten laste van diens levenslooptegoed aan het bevoegd gezag te verstrekken op een door dat gezag aangegeven wijze.
4. De aanvraag wordt gedaan op een door de minister voor Wonen en Rijksdienst aangegeven wijze.