BWBR0018979
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 2.1.5
Levensloopregeling rijkspersoneel
1. Het bevoegd gezag kent de in artikel 2.1.1 bedoelde aanvraag toe, tenzij het levenslooptegoed vermeerderd met:
a. het levenslooptegoed uit een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen;
b. het saldo van de verlofspaarrekening als bedoeld in artikel 1.1, letter j, van de Verlofspaarregeling rijkspersoneel;
c. de waarde van de totale compensatie in vrije dagen die tot 1 januari 2006 is gespaard op grond van artikel 1, tweede lid, derde volzin, van het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 november 1996, kenmerk AD96/U1026, (Stcrt. 233);
d. de waarde van het buitengewoon verlof als bedoeld in de artikelen 3.4.1 en 6.1.1, vijfde lid, van de Verlofspaarregeling rijkspersoneel, indien het verlof op grond van die regeling of de compensatie in vrije dagen op grond van het onder c bedoelde besluit bij of na het bereiken van de 62-jarige leeftijd zal worden opgenomen, op 1 januari van het kalenderjaar waarin de voorziening in geld voor levensloopverlof zal worden gespaard gelijk is aan of meer bedraagt dan 2,1 maal het loon over het voorafgaande kalenderjaar.
2. Voor de toepassing van het eerste lid blijft een salarisvermindering buiten beschouwing, voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP vastgestelde ingangsdatum van het pensioen. De vorige volzin is bij een salarisvermindering die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan aanvang van de in de eerste volzin van dit lid bedoelde periode.
3. De waarde van de compensatie in vrije dagen en de waarde van het buitengewoon verlof, bedoeld in het eerste lid, worden berekend op basis van het salaris per uur dat voor de ambtenaar geldt op 1 januari van het kalenderjaar waarin de voorziening in geld voor levensloopverlof zal worden gespaard.
4. Het bevoegd gezag maakt het besluit op de aanvraag binnen zes weken na de datum waarop deze is ontvangen bekend aan de ambtenaar.
a. het levenslooptegoed uit een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen;
b. het saldo van de verlofspaarrekening als bedoeld in artikel 1.1, letter j, van de Verlofspaarregeling rijkspersoneel;
c. de waarde van de totale compensatie in vrije dagen die tot 1 januari 2006 is gespaard op grond van artikel 1, tweede lid, derde volzin, van het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 november 1996, kenmerk AD96/U1026, (Stcrt. 233);
d. de waarde van het buitengewoon verlof als bedoeld in de artikelen 3.4.1 en 6.1.1, vijfde lid, van de Verlofspaarregeling rijkspersoneel, indien het verlof op grond van die regeling of de compensatie in vrije dagen op grond van het onder c bedoelde besluit bij of na het bereiken van de 62-jarige leeftijd zal worden opgenomen, op 1 januari van het kalenderjaar waarin de voorziening in geld voor levensloopverlof zal worden gespaard gelijk is aan of meer bedraagt dan 2,1 maal het loon over het voorafgaande kalenderjaar.
2. Voor de toepassing van het eerste lid blijft een salarisvermindering buiten beschouwing, voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP vastgestelde ingangsdatum van het pensioen. De vorige volzin is bij een salarisvermindering die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan aanvang van de in de eerste volzin van dit lid bedoelde periode.
3. De waarde van de compensatie in vrije dagen en de waarde van het buitengewoon verlof, bedoeld in het eerste lid, worden berekend op basis van het salaris per uur dat voor de ambtenaar geldt op 1 januari van het kalenderjaar waarin de voorziening in geld voor levensloopverlof zal worden gespaard.
4. Het bevoegd gezag maakt het besluit op de aanvraag binnen zes weken na de datum waarop deze is ontvangen bekend aan de ambtenaar.