1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, wordt voor zover het betreft het tijdvak van 15 augustus tot en met 31 december 2000 als volgt vastgesteld voor de in dat artikel bedoelde instellingen met genoten inkomsten over 1999:
a. tot ƒ 2.500.000: € 1.740;
b. van ƒ 2.500.000 tot ƒ 5.000.000: € 3.480;
c. van ƒ 5.000.000 tot ƒ 10.000.000: € 6.960;
d. van ƒ 10.000.000 tot ƒ 20.000.000: € 13.915;
e. van ƒ 20.000.000 tot ƒ 40.000.000: € 27.830;
f. van ƒ 40.000.000 tot ƒ 80.000.000: € 55.665;
g. van ƒ 80.000.000 tot ƒ 160.000.000: € 111.130;
h. van ƒ 160.000.000 tot ƒ 320.000.000: € 222.655;
i. van ƒ 320.000.000 tot ƒ 1.280.000.000: € 260.925;
j. boven ƒ 1.280.000.000: € 347.900.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, wordt voor zover het betreft het tijdvak van 15 augustus tot en met 31 december 2000 voor beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal als bedoeld in
artikel 76a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek te wier laste effecten waren uitgegeven die waren toegelaten tot de notering van een op grond van
artikel 22, eerste lid, van de wet erkende effectenbeurs, vastgesteld op € 870.