BWBR0018201
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 3
Verordening monitoring Aviaire influenza (PPE) 2005
... [Regeling vervallen per 10-08-2014 met terugwerkende kracht tot en met 01-07-2014] 1 Ter uitvoering van het in artikel 2, eerste lid , bedoelde onderzoek, zorgt de ondernemer ervoor dat, indien de ondernemer : a. vleeskuikens, parelhoenders, loopvogels of kwartels houdt, jaarlijks bloed wordt afgenomen van 30 vleeskuikens, parelhoenders, loopvogels of kwartels met een leeftijd van tenminste 4 weken; b. vleeseenden of ganzen houdt, jaarlijks bloed wordt afgenomen van 40 vleeseenden of ganzen met een leeftijd van tenminste 4 weken; c. vleeskalkoenen houdt, bij elke productieronde bloed wordt afgenomen van 30 hanen met een leeftijd van tenminste 18 weken; d. geen andere vleeskalkoenen dan hennen houdt, bij elke productieronde bloed wordt afgenomen van 30 hennen met een leeftijd van tenminste 13 weken; e. opfokvermeerderingsdieren houdt, jaarlijks bloed wordt afgenomen van tenminste 30 opfokvermeerderingsdieren met een leeftijd van tenminste 15 weken; f. vermeerderingsdieren houdt, jaarlijks bloed wordt afgenomen van tenminste 30 vermeerderingsdieren met een leeftijd van tenminste 45 weken; g. opfokleghennen houdt, jaarlijks bloed wordt afgenomen van tenminste 30 opfokleghennen met een leeftijd van tenminste 8 weken; en h. leghennen houdt, jaarlijks bloed wordt afgenomen van tenminste 30 leghennen met een leeftijd van tenminste 45 weken. 2 Indien de ondernemer conform artikel 2 van de Verordening identificatie en registratie van pluimveebedrijven, broedeieren en levend pluimvee (PPE) 2005 geregistreerd is met een houderijsysteem met vrije uitloop, zorgt de ondernemer er voor dat de in het eerste lid, onder a. tot en met h. bedoelde monstername, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a. tot en met h., per kalenderkwartaal wordt uitgevoerd, ongeacht de leeftijd van het pluimvee. 3 Indien van het pluimvee, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met h, koppels worden verplaatst naar een ander pluimveebedrijf, zorgt de ondernemer ervoor dat de in het eerste lid, onder a tot en met h bedoelde monsterneming, in afwijking van het eerste lid, onder a tot en met h, vóór elke verplaatsing wordt uitgevoerd bij het betreffende koppel, ongeacht de leeftijd van het pluimvee, en dat de uitslag van het onderzoek bekend is voordat de verplaatsing van het pluimvee plaatsvindt. 4 Onverminderd het eerste, tweede en derde lid, zorgt de ondernemer ervoor dat, indien het pluimvee, bedoeld in het eerste lid onder a tot en met h, in meerdere stallen op het pluimveebedrijf is gehuisvest, uit elke stal naar evenredigheid van het aantal dat in die stallen wordt gehouden, bloedmonsters worden genomen van het aldaar gehouden pluimvee, met een minimum van 5 bloedmonsters per stal. 5 De voorzitter kan bepalen in welke periode de in het eerste, tweede en vierde lid bedoelde bloedmonsters moeten worden genomen.