1. In afwijking van artikel 3vervallen de betalingstermijnen van de uitkering, bedoeld in
artikel 22, eerste lid, van de wet, die zijn verstreken op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, binnen acht weken na dat tijdstip.
2. De bijdrage voor de exploitatie van openbaar vervoer, bedoeld in
artikel 76 van de Wet personenvervoer 2000, die in het jaar voorafgaand aan het eerste uitkeringsjaar is verstrekt, wordt onder verrekening van de betaalde voorschotten, betaald in vijf gelijke termijnen.
3. De bijdrage voor de exploitatie van regionale treindiensten, bedoeld in
artikel 3 van de Regeling experimenten regionale treindiensten, die in het jaar voorafgaand aan het eerste uitkeringsjaar is verstrekt, wordt onder verrekening van de betaalde voorschotten, betaald in vijf gelijke termijnen.
4. De termijnen, bedoeld in het tweede en derde lid, bedragen elk een vijfde van het verschil van de verleende bijdrage en van het bedrag van de betaalde voorschotten.
5. Artikel 3en het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op het vervallen van de betalingstermijnen, bedoeld in het tweede en derde lid.