1. In het in artikel 1genoemde tijdvak komen voor subsidie als bedoeld in
hoofdstuk 2,
paragrafen 2.3,
2.4en
2.5, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheeren in artikel 2van deze regeling in aanmerking:
a. projecten waarvoor de eerder verleende subsidie wordt verhoogd en die zijn geplaatst op een voor 1 januari 2005 in de Staatscourant bekendgemaakte lijst als bedoeld in artikel 12, vierde lid, en artikel 16, vierde lid, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer;
b. projecten waarvoor de eerder op grond van de Regeling Saneringsprogramma Verkeerslawaai verleende subsidie wordt verhoogd;
c. projecten welke zijn geplaatst op een voor 1 april 2005 in de Staatscourant bekendgemaakte lijst, als bedoeld in artikel 12, vierde lid, en artikel 16, vierde lid, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer;
d. subsidieaanvragen voor voorbereiding en begeleiding van en het toezicht op geluidsreducerende maatregelen aan de constructie van de spoorweg, afschermende maatregelen, geluidwerende maatregelen in plaats van of in aanvulling op geluidsreducerende maatregelen of afschermende maatregelen en maatregelen die strekken tot onttrekking aan de bestemming tegen spoorweglawaai, welke worden getroffen ter bescherming van een verzameling van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen waarvan ten minste één van deze een hogere geluidsbelasting vanwege een spoorweg ondervindt dan 65 dB(A);
e. subsidieaanvragen voor voorbereiding en begeleiding van en het toezicht op verkeersmaatregelen, afschermende maatregelen, geluidwerende maatregelen in plaats van of in aanvulling op verkeersmaatregelen of afschermende maatregelen en maatregelen die strekken tot onttrekking aan de bestemming tegen wegverkeerslawaai, welke worden getroffen ter bescherming van een verzameling van woningen, waarvan ten minste één woning een hogere geluidsbelasting vanwege een weg ondervindt dan 64 dB(A);
f. subsidieaanvragen voor voorbereiding en begeleiding van en het toezicht op geluidwerende maatregelen tegen wegverkeerslawaai welke worden getroffen ter bescherming van andere geluidsgevoelige gebouwen die een hogere geluidsbelasting vanwege een weg ondervinden dan 59 dB(A).
2. Met betrekking tot de in het eerste lid, onder d, e en f bedoelde subsidieaanvragen geldt dat het eerst in aanmerking komen:
a. met betrekking tot verkeersmaatregelen of geluidsreducerende maatregelen aan de constructie van de spoorweg, projecten waarvan het quotiënt van het bedrag dat volgt uit toepassing van onderdeel 1 of onderdeel 2 van Bijlage A bij de artikelen 12a, tweede lid, 12k, eerste lid, 18 en 19, derde lid, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer en het aantal daarin betrokken woningen het grootste is;
b. met betrekking tot afschermende maatregelen, projecten waarvan het quotiënt van de maximale schermkosten, bedoeld in Bijlage I, formulier WBb of formulier RBb, bij de Uitvoeringsregeling sanering verkeerslawaai, exclusief de hierin genoemde toeslag voor bijzondere situaties en de kale basisprijs van een geluidsscherm, bedoeld in Bijlage IV, behorend bij de Uitvoeringsregeling sanering verkeerslawaai, het grootste is;
c. met betrekking tot projecten voor geluidwerende maatregelen aan andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidwerende maatregelen in plaats van verkeersmaatregelen, geluidsreducerende of afschermende maatregelen, of voor maatregelen die strekken tot onttrekking aan de bestemming van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen, projecten waarvan de gemiddelde geluidsbelasting, zonder aftrek als bedoeld in artikel 103 van de Wet geluidhinder, het hoogst is;
bij toepassing van de onderdelen a, b en c, zal tevens het tijdstip van indiening van de aanvraag in de beoordeling worden betrokken.
3. De in het eerste lid, onder a, b en c, bedoelde projecten komen het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Vervolgens komen de in het eerste lid, onder d, e en f bedoelde subsidieaanvragen voor subsidieverlening in aanmerking, waarbij geldt dat:
a. het eerst in aanmerking komen, projecten als bedoeld in het tweede lid onder a;
b. vervolgens projecten als bedoeld in het tweede lid, onder c, in aanmerking komen, onder de voorwaarde dat, maximaal 20 procent van het na toepassing van onderdeel a nog beschikbare budget, hieraan besteed wordt;
c. vervolgens projecten als bedoeld in het tweede lid onder b in aanmerking komen.