1. Onze Ministers stellen het bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, als volgt vast:
a. de voorlopige vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen, en
b. de definitieve vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het eerste jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen.
2. Het aantal minderjarigen, bedoeld in het eerste lid, is het gemiddelde van het aantal minderjarigen op de eerste dag van elke kalendermaand met uitsluiting van het aantal minderjarigen voor wie een persoon in dienst van een landelijke instelling als bedoeld in
artikel 104, eerste lid, van de wet, de taak uitoefent, met uitzondering van de taken als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet, waarvoor de regeling waarbij het normbedrag of de normbedragen worden vastgesteld anders bepaalt.
3. Indien blijkt dat bij de definitieve vaststelling, bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal minderjarigen dat bepalend is voor de subsidie aan de stichting door de provincie, bedoeld in
artikel 32, tweede lid, onder c, van de wet, lager is dan de in het eerste lid onder b genoemde aantallen, vindt de definitieve vaststelling plaats op basis van die lagere aantallen.