1. Indien de berekende bekostiging op grond van de
artikelen 84,
84ben
85b van de Wet op het voortgezet onderwijsen op grond van de daarop gebaseerde lagere regelgeving zoals luidend nà inwerkingtreding van artikel Ivan deze wet van de scholen van een bevoegd gezag waarop voor het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze wet in werking treedt, aanspraak zou bestaan, hoger onderscheidenlijk 1,5% of meer lager is dan de berekende bekostiging waarop voor het schooljaar dat aanvangt in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin deze wet in werking treedt aanspraak zou bestaan op grond van genoemde artikelen en op grond van de daarop gebaseerde lagere regelgeving zoals luidend vóór inwerkingtreding van artikel Ivan deze wet waarbij de leerlingfluctuatiefactor op 1 wordt gesteld, wordt de bekostiging:
a. voor het jaar waarin deze wet in werking treedt, verminderd met 95% van het verschil onderscheidenlijk vermeerderd met 100% van het verschil voorzover dat boven 1,5% uitgaat,
b. voor het eerste jaar volgend op het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 80% van het verschil voorzover dat boven 1,5% uitgaat,
c. voor het tweede jaar volgend op het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 60% van het verschil voorzover dat boven 1,5% uitgaat,
d. voor het derde jaar volgend op het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 40% van het verschil voorzover dat boven 1,5% uitgaat, en
e. voor het vierde jaar volgend op het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 20% van het verschil voorzover dat boven 1,5% uitgaat.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van het aantal leerlingen op de peildatum 1 oktober van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarin deze wet in werking treedt.
3. De vermeerderingen onderscheidenlijk verminderingen berekend op grond van het eerste lid, onderdelen a tot en met e onderscheidenlijk onderdeel a, vinden plaats in het jaar waarin deze wet in werking treedt.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de overgangssystematiek bij de personele bekostiging zoals neergelegd in het eerste tot en met derde lid.