1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Mijnbouwwet, de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst;
b. de Wet Milieugevaarlijke stoffen, de Wet explosieven voor civiel gebruik en de Wet Milieubeheer, voor zover het betreft de activiteiten, bedoeld in artikel 49, eerste en vijfde lid, van de Mijnbouwwet;
c. de Kernenergiewet, de Warenwet, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder en de Wet inzake de luchtverontreiniging, voor zover het betreft de activiteiten, bedoeld in artikel 49, eerste en vijfde lid, van de Mijnbouwwet;
d. de Arbeidstijdenwet en de Arbeidsomstandighedenwet, voor zover het betreft de activiteiten, bedoeld in artikel 49, eerste en vijfde lid, van de Mijnbouwwet;
e. andere wetten, voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland, inclusief het Nederlandse deel van het continentaal plat.