1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van feiten,
a. strafbaar gesteld bij of krachtens: de in artikel 1a van de Wet op de economische delicten (WED) genoemde wetten alsmede de artikelen 26, 33 en 34 van de WED;
b. de Visserijwet 1963;
c. de Wet op de openluchtrecreatie;
d. de Plantenziektenwet;
e. de Veewet;
f. de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
g. het Besluit gebruik meststoffen;
h. artikel 45 Luchtverkeersreglement;
i. Binnenvaartpolitiereglement;
j. de Binnenschepenwet;
k. Wegenverkeerswet 1994
l. artikel 2 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (i.v.m. onverzekerd crossen);
m. de artikelen 141, 157, 158, 161 t/m 163, 173, 173a, 173b, 179, 180, 184, 239, 266, 267, 284, 285, 310, 311, 314, 315, 350, 351, 351 bis, 352, 424 t/m 429, 430a, 435, onder ten vierde, en 458 t/m 461 van het Wetboek van Strafrecht;
n. verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de provincie Noord-Holland.