1. Houders van een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1, gaan na of het luchtvaartuig of de luchtvaartuigen waarvan zij houder zijn, voldoen aan de in de bij deze regeling behorende bijlageop de wijze als in die bijlageis voorgeschreven.
2. Indien een luchtvaartuig niet voldoet aan de bij de in het eerste lid bedoelde bijlage, dient de houder daarvan dat luchtvaartuig te wijzigen als in die bijlageis aangegeven.
Paragraaf 6 van de Regeling onderhoud luchtvaartuigenis van toepassing. De wijziging is een ingrijpende wijziging.
3. De houder van een luchtvaartuig als bedoeld in het tweede lid legt een onderhoudsplan tot aanbrengen van de in het tweede lid bedoelde wijzigingen uiterlijk 6 december 2004 ter goedkeuring voor aan de minister. Het onderhoudsplan voorziet tevens onder meer in wijziging van de desbetreffende onderhoudsprogramma’s alsmede het zorg dragen voor voldoende scholing van het personeel, dat met het desbetreffende onderhoud is belast en het opstellen van trainingsprogramma’s daartoe.