Aan de minister is voorbehouden:
1. de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c en e, indien bij de uitoefening van deze bevoegdheden gebruik wordt gemaakt van gegevens bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b en c, van de Wet veiligheidsonderzoeken;
2. de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, indien bij de uitoefening van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt van gegevens bedoeld in artikel 13, vierde lid, onder b en c, van de Wet veiligheidsonderzoeken;
3. de afdoening en ondertekening van stukken bestemd voor: a. de Koningin;
b. de Raad van Ministers van het Koninkrijk; de Raad van Ministers en de daaruit gevormde colleges;
c. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies;
d. de Raad van State;
e. de Algemene Rekenkamer;
f. de Nationale ombudsman.
a. de Koningin;
b. de Raad van Ministers van het Koninkrijk; de Raad van Ministers en de daaruit gevormde colleges;
c. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies;
d. de Raad van State;
e. de Algemene Rekenkamer;
f. de Nationale ombudsman.