Artikel 2 Met ingang van 1 januari 2004 worden de bedragen, genoemd in artikel 3.9, derde lid, van de wet, vastgesteld op € 14.510,48 onderscheidenlijk € 18.656,33.
Artikel 3 Met ingang van 1 januari 2004 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.17, eerste lid, van de wet, vastgesteld op € 10.218,46.
Artikel 4 Met ingang van 1 januari 2004 luiden de bedragen, genoemd in artikel 3.18 van de wet, als volgt:
Artikel 5 Met ingang van 1 januari 2004 wordt het bedrag, genoemd in de artikelen 5.2, derde lid, 5.4, tweede liden 10.3, derde lid, van de wet, vastgesteld op € 770,53.
Artikel 6 Met ingang van 1 januari 2004 wordt het bedrag, bedoeld in artikel 6.1, derde lid, van de Regeling studiefinanciering 2000, vastgesteld op € 133,55.
Artikel 7 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004 en vervalt met ingang van 1 januari 2005.