1. De artikelen I, onderdelen C en D, II tot en met IV, VI, onderdelen A, B en I, X, onderdelen A, C, E tot en met K, XI, XIII tot en met XV en XVII, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
2. De artikelen I, onderdelen A en B, V, VII, VIII, X, onderdelen B, D en L, XII, XVI en XVIII, treden in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 5 juni 2003 ingediende voorstel van wet tot partiële wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de rechterlijke indeling, de Beroepswet, de Wet op de economische delicten en enige andere wetten (Veegwet modernisering rechterlijke organisatie) Kamerstukken II 2002–2003, 28 958, nrs. 1–2) indien het tot wet is verheven, in werking treedt.
3. De artikelen VI, onderdelen C tot en met H, IX en XIX treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 januari 2002.