1. Als categorieën radiozendapparaten, bedoeld in
artikel 3.4, eerste lid, onder a, van de Telecommunicatiewet, worden aangewezen:
a. randapparaten die bestemd zijn voor aansluiting op een mobiel openbaar telefoonnetwerk;
b. randapparaten die bestemd zijn voor aansluiting op een openbaar satellietsysteem, ten behoeve van mobiele communicatie, met uitzondering van het nood-, spoed en veiligheidsverkeer;
c. randapparaten, zijnde koordloze telefoons, die bestemd zijn voor aansluiting op een vast openbaar telefoonnetwerk, mits de in bijlage 1 aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen;
d. radiozendapparaten voor algemene radiocommunicatie in de 27 MHz-frequentieband (CB), mits de in bijlage 2 aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen;
e. randapparaten die bestemd zijn voor aansluiting op een openbaar telecommunicatienetwerk ten behoeve van plaatsbepaling;
f. mobiele VHF/UHF radiozendapparaten voor landmobiel gebruik die daadwerkelijk en krachtens een daartoe gesloten overeenkomst onderdeel zijn van een besloten netwerk, dat deel is van een radionetwerk met dynamische frequentietoewijzing ten behoeve waarvan een vergunning is verleend voor het gebruik van frequentieruimte (trunkinginstallatie);
g. mobiele radiozendapparaten behorend tot een digitaal radionetwerk met dynamische frequentietoewijzing, mits de in bijlage 3 aangegeven frequentieband en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen;
h. mobiele UHF radiozendapparaten, werkend in de frequentieband 446 MHz, bedoeld voor algemeen gebruik ten behoeve van spraak over korte afstand (PMR 446), mits de in bijlage 4 aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen;
i. randapparaten, zijnde satellietgrondstations, mits de in bijlage 5 aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen;
j. randapparaten voor mobiele communicatie via ionisatiesporen van meteoren, mits de in bijlage 6 aangegeven frequentieband en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen;
k. de in bijlage 7 bedoelde categorieën radiozendapparaten, mits de in die bijlage aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen.
2. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vallen slechts apparaten die voldoen aan het bij of krachtens het
Besluit randapparaten en radioapparatenbepaalde.