1. Het
eerste en tweede lid van artikel 45zijn gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing voor op het moment van inwerkingtreding van deze wet op een andere wijze uitgezette liquide middelen.
2. Het
eerste en tweede lid van artikel 45zijn voorts in aansluiting op de periode van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, gedurende zes maanden niet van toepassing op uitgezette liquide middelen die binnen de in het eerste lid bedoelde periode van zes maanden door de betrokken rechtspersoon bij Onze betrokken Minister zijn aangemeld, teneinde afspraken te maken over de periode waarbinnen de betrokken rechtspersoon alsnog aan
artikel 45, eerste lid, dan wel tweede lid, zal voldoen.
3. Onze Minister van Financiën kan de periode van zes maanden, bedoeld in het tweede lid, verlengen.
4. Onze betrokken Minister kan een rechtspersoon die niet binnen de in het eerste lid bedoelde periode van zes maanden de op een andere wijze uitgezette liquide middelen heeft aangemeld, een aanwijzing geven ten aanzien van de periode waarbinnen de aanmelding alsnog dient te geschieden.
5. Gedurende een periode van maximaal 18 maanden na inwerkingtreding van deze wet is het bepaalde in
artikel 45, vierde lid, ook van toepassing, indien de separate verantwoording van de niet-collectieve middelen nog niet op een adequate wijze plaatsvindt. In het koninklijk besluit, bedoeld in artikel IV, kan deze periode zo nodig worden verlengd.