1. Het college kan, in afwijking van de voorwaarden, genoemd in
artikel 3, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 dan wel de invulling van die voorwaarden, bedoeld in
artikel 3a, eerste lid, van die wet, de in bijlage II van de verordening voor Nederland genoemde gewasbeschermingsmiddelen voor de in die bijlage aangegeven gebruiksdoeleinden, tot en met 30 juni 2007 toelaten of blijven toelaten, mits is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de verordening.
2. Bij het toelaten of blijven toelaten als bedoeld in het eerste lid mag het college afwijken van de krachtens
artikel 4 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 gestelde regels ter zake van het indienen en behandelen van aanvragen tot verlenging van een toelating, alsmede van de duur van de toelating of de verlenging daarvan, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van die wet.
3. Het college kan voorts, in afwijking van de voorwaarden, genoemd in
artikel 3, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 dan wel de invulling van die voorwaarden, bedoeld in
artikel 3a, eerste lid, van die wet, gewasbeschermingsmiddelen waarvan de toelating ingevolge een communautaire maatregel moet worden ingetrokken, geheel of gedeeltelijk toelaten of blijven toelaten, voor zover die communautaire maatregel daarin voorziet en aan de door die maatregel gestelde voorwaarden is voldaan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4. Onze betrokken minister kan, met het oog op de toepassing van het bepaalde in het derde lid in de praktijk, regels stellen omtrent het voldoen aan de voorwaarden die door de in dat lid bedoelde communautaire maatregel worden gesteld.