1. De privacy-functionaris beschikt ten opzichte van de onder de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ressorterende diensten en de daarbij werkzame personen over de bevoegdheden zoals bedoeld in de artikelen 5:15, 5:16, 5:17, 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat waar in bedoelde artikelen wordt gesproken van ‘toezichthouder’ daaronder wordt verstaan: privacy-functionaris.
2. De privacy-functionaris maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt de privacy-functionaris een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door de Minister.
2. De privacy-functionaris toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
1. Ieder die werkzaam is bij een onder de Minister ressorterende dienst, is verplicht aan de privacy-functionaris binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijze kan vorderen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden.
2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling taken en bevoegdheden privacy-functionaris van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.