1. Bij de inspectie van sloepslopers als bedoeld in
artikel 19, vierde lid, van Bijlage XIA bij het Schepenbesluit 1965worden in elk geval de volgende verschijnselen aangemerkt als gebreken die noodzaken tot vernieuwing van de sloepslopers:
a. ernstige roestvorming of intering, vervorming of beschadiging van afzonderlijke kabelstrengen of de gehele draad en verstoring van de kabelconstructie, of wanneer de draad anderszins zodanig afwijkt van een nieuwe draad dat vernieuwing van de draad aangewezen is;
b. iedere eindverbinding die niet een vergelijkbaar sterke eindverbinding oplevert als de door de oorspronkelijke leverancier geleverde eindverbinding.
2. Een vergelijkbaar sterke eindverbinding als bedoeld onder b kan zijn een deugdelijk aangebrachte splits, een persklem, een draadhuis (kegsocket), een aangietsocket of een andere eindverbinding, mits die in overeenstemming is met het advies van de fabrikant van de draad. Kabelkiezen worden niet beschouwd als vergelijkbaar sterke eindverbinding.
3. Eveneens wordt als een gebrek aangemerkt behandeling van de draad of van de davit in strijd met de voorschriften van de fabrikant en de leverancier van de draad alsmede van de fabrikant en de leverancier van de davit.