1. Indien voor de voorbereiding van een advies een specifieke deskundigheid is vereist die niet reeds in voldoende mate in de raad aanwezig is, kunnen in de door de raad in te stellen commissies, in afwijking van
artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges, andere personen dan leden van de raad zitting hebben. Het aantal personen van buiten de raad bedraagt in een commissie ten hoogste vijf.
2. Op de in het eerste lid bedoelde commissieleden zijn de
artikelen 11 tot en met 14 van de Kaderwet adviescollegesvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze leden door de raad worden benoemd, geschorst en ontslagen.