Als entschema bedoeld in
artikel 2, eerste lid van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002, wordt voor heel Nederland het navolgende entschema vastgesteld:
I. vrouwelijke opfokvarkens: dienen tot het moment van eerste dekking casu quo inseminatie driemaal als volgt te worden geënt: eerste enting in de periode van de 10e tot de 12e levensweek;
tweede enting in de periode van de 14e tot de 16e levensweek;
derde enting in de periode van de 20e levensweek tot twee weken voor de eerste dekking casu quo inseminatie. mannelijke opfokvarkens: dienen tot de leeftijd van 200 dagen driemaal als volgt te worden geënt: eerste enting in de periode van de 10e tot de 12e levensweek;
tweede enting in de periode van de 14e tot de 16e levensweek;
derde enting in de periode van de 20e levensweek tot aan de leeftijd van 200 dagen.
eerste enting in de periode van de 10e tot de 12e levensweek;
tweede enting in de periode van de 14e tot de 16e levensweek;
derde enting in de periode van de 20e levensweek tot twee weken voor de eerste dekking casu quo inseminatie.
eerste enting in de periode van de 10e tot de 12e levensweek;
tweede enting in de periode van de 14e tot de 16e levensweek;
derde enting in de periode van de 20e levensweek tot aan de leeftijd van 200 dagen.
II. vleesvarkens: dienen tweemaal als volgt te worden geënt: eerste enting in de periode van de 10e tot de 16e levensweek;
tweede enting vier weken na de eerste enting.
eerste enting in de periode van de 10e tot de 16e levensweek;
tweede enting vier weken na de eerste enting.
III. zeugen en beren: dienen tenminste driemaal per jaar te worden geënt, met een maximale periode van vier maanden tussen twee entingen.