1. Voor iedere school van het bevoegd gezag die op de peildatum van 1 oktober 1996 ten minste twee en ten hoogste vier groepen leegstand had, is het in mindering te brengen bedrag, bedoeld in artikel VA, derde lid van de wet VGR gelijk aan de som van:
a. het in tabel 2 van de regeling bij de betreffende onderwijssoort en het betreffende aantal groepen leegstand opgenomen bedrag vermenigvuldigd met een factor 12;
b. het in tabel 3 van de regeling bij de betreffende onderwijssoort opgenomen bedrag vermenigvuldigd met een factor 9.
2. Voor iedere school van het bevoegd gezag die op de peildatum van 1 oktober 1996 één groep leegstand had, is het in mindering te brengen bedrag, bedoeld in artikel VA, derde lid van de wet VGR gelijk aan het in tabel 3 van de regeling bij de betreffende onderwijssoort opgenomen bedrag vermenigvuldigd met een factor 9
1. Het per bevoegd gezag in mindering te brengen bedrag op de aanvulling op de rijksvergoeding, zoals berekend op grond van artikel VA, tweede lid, van de wet VGR, is gelijk aan de som van de bedragen, bedoeld in artikel 2, van de scholen van het desbetreffende bevoegd gezag.
2. Het per bevoegd gezag in mindering te brengen bedrag, bedoeld in het eerste lid, is niet hoger dan de aanvullende vergoeding die dit bevoegd gezag zou hebben ontvangen op grond van toepassing van artikel VA, tweede lid van de wet VGR.