1. Zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 5, tweede lid, stelt de voorzitter de bijdragen vast.
2. De bijdrage bedraagt maximaal het verschil tussen het kleinverbruikerstarief en het tuinbouwtarief gerekend over het betreffende verbruik.
3. Voor de vaststelling van de bijdrage en ter bepaling of per gasaansluiting minder dan 30.000 m3 aardgas doch tenminste 12.000 m3 aardgas voor de verwarming, ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten is verbruikt, wordt voor het geval één of meer woonhuizen per aansluiting aanwezig zijn, van het totaal gemeten gasverbruik per aansluiting forfaitair per woonhuis 5.000 m3 afgetrokken.
4. Indien de gasaansluiting in de loop van de periode van verbruik, bedoeld in artikel 4, tot stand is gekomen c.q. is beëindigd, worden de vastrechtbedragen en de forfaitaire aftrek per één of meer woonhuizen berekend naar evenredigheid van de duur van de aansluiting over de verbruiksperiode. De maand waarin de aansluiting tot stand is gekomen c.q. is beëindigd, wordt beschouwd als een aansluiting c.q. beëindiging over de gehele maand.
5. De voorzitter stelt het bedrag vast dat beschikbaar is voor de bijdrage, genoemd in deze regeling.
6. Indien door honorering van alle in aanmerking komende aanvragen het totaal beschikbare bedrag zou worden overschreden, is de voorzitter bevoegd de te verstrekken bedragen naar verhouding te verlagen.
7. Bijdragen kleiner dan € 45,38 worden niet uitbetaald.