De minister kan ter instandhouding van beschermde historische buitenplaatsen subsidie verstrekken voor het herstel van onderdelen van parken en tuinen van beschermde historische buitenplaatsen, indien die onderdelen van belang zijn vanwege cultuurhistorische of natuurwetenschappelijke waarden of uit oogpunt van recreatie.
De minister stelt jaarlijks een subsidieplafond vast voor op grond van deze regeling te verstrekken subsidies. Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
1. De minister kan per kalenderjaar een aanvraagperiode vaststellen en geeft van dat besluit kennis in de Staatscourant.
2. Aanvragen worden alleen in behandeling genomen, indien een aanvraagperiode als bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld.
Geen subsidie wordt verleend voor:
a. werkzaamheden waarvan de subsidiabele kosten minder dan € 2.250 bedragen;
b. werkzaamheden met de uitvoering waarvan een aanvang is gemaakt alvorens de beschikking tot subsidieverlening schriftelijk aan de aanvrager is meegedeeld.
1. Een subsidie als bedoeld in artikel 2kan worden verleend voor de volgende noodzakelijke kosten die met het herstel verband houden en die in het in artikel 8bedoelde werkplan zijn opgenomen:
a. 80% van de volgende kosten: kosten van materialen;
loonkosten van werkzaamheden verricht door derden;
loonkosten van het betrokken personeel in dienst van de subsidieontvanger;
kosten van materialen;
loonkosten van werkzaamheden verricht door derden;
loonkosten van het betrokken personeel in dienst van de subsidieontvanger;
b. kosten voor het opstellen van een werkplan als bedoeld in artikel 8, overeenkomend met een percentage van de kosten van de werkzaamheden overeenkomstig onderstaande tabel:
c. de kosten van de voor de vaststelling van de subsidie benodigde accountantsverklaring tot een maximum van € 1.800.
2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden in aanmerking genomen met inbegrip van de verschuldigde omzetbelasting indien de aanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting.
3. Indien voor de werkzaamheden waarvoor op grond van deze regeling subsidie wordt verleend, andere subsidies door de rijksoverheid worden verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag op grond van deze regeling verstrekt, dat de som van de subsidies de som van de kosten, die op basis van het eerste lid als subsidiabele kosten kunnen worden aangemerkt, niet overschrijdt.
4. Indien voor de werkzaamheden waarvoor op grond van deze regeling subsidie wordt verleend, subsidies door anderen dan de rijksoverheid dan wel financiële middelen door niet-bestuursorganen worden verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag op grond van deze regeling verstrekt, dat de som van de subsidies dan wel de som van de subsidie en de financiële middelen niet meer bedraagt dan 100% van de totale kosten van de werkzaamheden.
1. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend bij Dienst Regelingen met gebruikmaking van het daarvoor bestemde aanvraagformulier en gaat vergezeld van:
a. een werkplan;
b. een kaart met ten minste een schaal van 1:1000, waarop de terreingedeelten of onderdelen aangegeven zijn, waarvoor subsidie wordt aangevraagd; en
c. een advies van de Stichting tot behoud van Particuliere Historische Buitenplaatsen met betrekking tot de geplande werkzaamheden.
2. Het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde werkplan houdt in ieder geval in:
a. een beschrijving van de huidige situatie, een gespecificeerde omschrijving van de te verrichten werkzaamheden, het doel van de werkzaamheden, de noodzaak van de werkzaamheden alsmede de noodzaak van de kosten;
b. een sluitende begroting voor de werkzaamheden en de plankosten alsmede een toelichting daarop; indien het een meerjarig plan betreft, is de begroting een meerjarenbegroting met een liquiditeitsplanning per jaar; en
c. de realisatietermijn.
3. In het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde advies wordt aangegeven of de uit te voeren werkzaamheden het normale onderhoud te boven gaan. Voorts heeft het advies betrekking op:
a. de bijdrage die de uit te voeren werkzaamheden leveren aan de instandhouding en het herstel van de beschermde historische buitenplaats;
b. het cultuurhistorische, natuurwetenschappelijke of recreatieve belang van de uit te voeren werkzaamheden;
c. de urgentie van de uit te voeren werkzaamheden;
d. de wijze van uitvoering en de te gebruiken materialen; en
e. de mogelijke samenhang met andere gesubsidieerde werkzaamheden.
De minister rangschikt, in overleg met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen zodanig dat zij hoger worden gerangschikt naarmate:
a. de uit te voeren werkzaamheden een grotere bijdrage leveren aan de instandhouding en het herstel van de beschermde historische buitenplaats;
b. de uit te voeren werkzaamheden meer van belang zijn voor de cultuurhistorische of natuurwetenschappelijke waarde van de beschermde historische buitenplaats of voor de recreatie;
c. een grotere urgentie bestaat voor de uit te voeren werkzaamheden; en
d. er samenhang is met andere gesubsidieerde werkzaamheden.
1. De minister beslist binnen vier maanden na afloop van de aanvraagperiode op aanvragen die in de betrokken aanvraagperiode zijn ingediend met inachtneming van artikel 9.
2. De minister kan bij de subsidieverlening bepalen dat de werkzaamheden voor een door hem te bepalen datum zijn uitgevoerd.
De subsidieontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle kosten van het herstel kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 7onderscheiden kostenposten, waarbij ter zake van de loonkosten van het personeel in dienst van de subsidieontvanger een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording aanwezig is.
1. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend binnen twee maanden na afloop van de werkzaamheden.
2. Voorzover de subsidie is verleend voor meer dan één jaar, dient de subsidieontvanger telkens binnen twee maanden na afloop van een jaar een aanvraag tot subsidievaststelling over dat jaar in, met dien verstande dat de laatste aanvraag wordt ingediend binnen twee maanden na afloop van de werkzaamheden.
3. De aanvraag omvat:
a. een financiële verantwoording van de werkzaamheden, met de daarbij behorende bewijsstukken;
b. indien de totale subsidiabele kosten meer bedragen dan € 22.500 een verklaring van een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt dat is voldaan aan de in deze regeling gestelde voorwaarden en verplichtingen.
4. De accountant, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, controleert met inachtneming van het in bijlage 1bij deze regeling opgenomen controleprotocol.
5. De goedkeurende accountantsverklaring wordt opgesteld overeenkomstig de in bijlage 2opgenomen modelaccountantsverklaring.
6. De minister kan de Accountantsdienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een review laten uitvoeren op de door de accountant van de aanvrager verrichte werkzaamheden.
1. De minister kan de subsidieontvanger op diens verzoek voorschotten verstrekken tot ten hoogste 50% van het verleende subsidiebedrag.
2. De aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte.
De Regeling subsidies achterstallig onderhoud voor historische parken, tuinen en buitenplaatsen blijft van toepassing op op grond daarvan verleende subsidies.
Twee jaar na inwerkingtreding en voorts iedere drie jaar wordt een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.