1. De Minister verleent mandaat aan het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst om namens hem alle beslissingen te nemen, alle stukken af te doen, alle uitgaande brieven te tekenen ten aanzien van alle aangelegenheden voortvloeiend uit de uitvoering van de
Vreemdelingenwet 2000en de
Rijkswet op het Nederlanderschap, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2. De Minister verleent volmacht aan het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, voor zover deze handelingen verband houden met de uitvoering van de
Vreemdelingenwet 2000of de
Rijkswet op het Nederlanderschap, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
3. De Minister machtigt het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst om alle overige handelingen te verrichten, die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, en hem in rechte te vertegenwoordigen en rechtsmiddelen in te stellen, voor zover deze handelingen verband houden met de uitvoering van het bepaalde bij en krachtens de
Vreemdelingenwet 2000of de
Rijkswet op het Nederlanderschap, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
4. De Minister machtigt het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst om
a. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee inlichtingen te vragen over de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000, het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000;
b. aan de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee aanwijzingen te geven over de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000, het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000 en aan de ambtenaren bedoeld in artikel 47, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 individuele aanwijzingen te geven.