Ten aanzien van splijtstoffen, ertsen, inrichtingen en uitrustingen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, wordt vrijstelling verleend van het in artikel 15 van de wetvervatte verbod.
Ten aanzien van radioactieve stoffen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid en met betrekking waartoe volgens de desbetreffende militaire voorschriften geheimhouding vereist is, wordt vrijstelling verleend van het in artikel 29, eerste lid, van de wetvervatte verbod.
Ten aanzien van toestellen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid en met betrekking waartoe volgens de desbetreffende militaire voorschriften geheimhouding vereist is, is afdeling 3.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbeschermingniet van toepassing.
De artikelen 2, 3en 4zijn van overeenkomstige toepassing op splijtstoffen, ertsen, inrichtingen, uitrustingen, radioactieve stoffen en toestellen die blijkens een verklaring van Onze Minister of van een door hem aangewezen autoriteit in beheer zijn bij een krijgsmacht.
In de gevallen, waarin artikel 2, 3, 4 of 5 van toepassing is, treft Onze Minister zodanige maatregelen dat de bescherming van de bij en krachtens artikel 15b van de wetaangewezen belangen, voor zover redelijkerwijs mogelijk, is verzekerd.
In de gevallen, waarin artikel 2, 3, 4 of 5 van toepassing is, houdt Onze Minister een administratie bij omtrent de betrokken splijtstoffen, ertsen, inrichtingen, uitrustingen, radioactieve stoffen of toestellen.
Van zoekraken, diefstal of ongewilde verspreiding van splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen of toestellen als bedoeld in artikel 2, 3, 4of 5doet Onze Minister onmiddellijk mededeling aan de Autoriteit.