Te conditioneren gevaarlijke afvalstoffen worden in een compartiment als blok gestort dan wel in een compartiment tot blok gevormd, waarbij het blok uithardt in een duurzame vaste vorm.
Het volume van de toeslagstoffen voor de vervaardiging van een blok bedraagt niet meer dan 25% van het volume van de te conditioneren gevaarlijke afvalstoffen.
Per mengsel met dezelfde samenstelling van te conditioneren gevaarlijke afvalstoffen en toeslagstoffen ten behoeve van het vervaardigen van één blok worden voor aanvang van het uithardingsproces ten minste twee representatieve monsters genomen. Deze monsters worden gebruikt voor het vervaardigen van ten minste twee proefstukken die op overeenkomstige wijze als het gehele blok worden uitgehard. De kwaliteit van de geconditioneerde afvalstoffen wordt bepaald aan de hand van deze proefstukken.
1. De emissiewaarden van een proefstuk overschrijden niet de waarden van de tabel van de bij deze regeling behorende bijlage.
2. In afwijking van het vorige lid mogen de emissiewaarden voor Br, Cl en SO 4de waarden van de tabel overschrijden wanneer de te conditioneren afvalstoffen zonder toeslagstoffen in totaal niet meer dan 20% (gewicht) van deze parameters bevatten.
In afwijking van artikel 6mogen de emissiewaarden van de andere dan in artikel 6, tweede lidgenoemde parameters van een proefstuk in geval van buitengewone omstandigheden wel de waarden van de tabel van de bijlageoverschrijden, voorzover het totaal van de te conditioneren gevaarlijke afvalstoffen die de waarden van de tabel overschrijden, in een compartiment niet meer dan 10% (gewicht) van de totale vergunde capaciteit van dat compartiment bedraagt en het betreffende blok niet direct naast de afscheiding van het compartiment is gesitueerd.
1. De druksterkte van een blok wordt bepaald aan de hand van één of meerdere proefstukken na een uitharding van 28 dagen volgens ontwerp NEN-EN 12394.
2. De druksterkte wordt vastgesteld met een meetnauwkeurigheid beter dan 0,1 N/mm².
1. De uitloging van een blok wordt bepaald aan de hand van één of meerdere proefstukken met een diffusieproef overeenkomstig NEN 7345:1995.
2. De cumulatieve emissie (64 dagen) wordt berekend volgens NEN 7345, paragraaf 9.5.
3. Het proefstuk mag tijdens de duur van de in het eerste lid genoemde proef niet desintegreren. Van het proefstuk mag niet meer dan 1% (gewicht) vast materiaal op de bodem van de onderzoekbak neerslaan binnen de proefduur van 64 dagen.
1. In een compartiment worden geen andere dan te conditioneren gevaarlijke afvalstoffen gestort.
2. In afwijking van het eerste lid, kunnen niet-gevaarlijke afvalstoffen in een compartiment worden gebruikt als onderdrainage en bufferlaag.
Het compartiment is zodanig ingericht dat de geconditioneerde gevaarlijke afvalstoffen, na zetting van de ondergrond, minimaal 0,7 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand blijven.
In een compartiment voor het storten van geconditioneerde gevaarlijke afvalstoffen wordt een snelle afvoer van water gewaarborgd door tussen de blokken doorlatend materiaal aan te brengen.
Een volledig gevuld compartiment wordt voorafgaand aan de definitieve afdichting en uiterlijk twee maanden na de start van de uitharding van het laatst toegevoegde blok afgedekt.
De in deze regeling opgenomen verwijzingen naar NEN-normen hebben betrekking op de laatst uitgegeven NEN-normen met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing op 1 januari van het kalenderjaar volgende op dat waarin de uitgifte heeft plaatsgevonden.