1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Wet werk en bijstand;
b. de artikelen 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 189, 225, 226, 227, 227a, 227b, 230, 231, 266, 321, 326, 350a, 350b, 362, 363, 416, 417 bis, 435, onder ten vierde, 447b, 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.