1. Biociden, die als niet-landbouwbestrijdingsmiddelen of als gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in
artikel 1, vijfde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet zijn toegelaten, worden onverminderd het bepaalde in de
artikelen 5en
7 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, geacht te zijn toegelaten.
2. Niet-landbouwbestrijdingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in
artikel 1, vijfde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, waarvoor voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet een volledige aanvraag tot toelating is ingediend, worden beoordeeld aan de hand van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962zoals deze luidde voor die inwerkingtreding.