A
1. Voor zover artikel III, onderdelen D, H en I, aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen, toegekend met toepassing van
artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, die ingevolge
artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende ministerie, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te geven aanwijzingen.
2. Voor zover artikel III, onderdelen D, H en I, aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van
artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende ministerie, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
B
De bij artikel III, onderdelen D, H en I, aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.
C
Voor de ambtenaar voor wie, indien de in artikel III, onderdeel I, bedoelde vervanging van de bijlage B niet zou hebben plaatsgevonden, met ingang van 1 oktober 2001 een salaris zou hebben gegolden behorende bij een salarisnummer omvattende de letter J van de voor hem geldende salarisschaal, wordt het salaris met ingang van 1 oktober 2001 vastgesteld op het salaris behorende bij salarisnummer 0 in de voor hem geldende salarisschaal.
D
1. De ambtenaar die op 1 december 2001 in dienst is op grond van het
Algemeen Rijksambtenarenreglementof het
Ambtenarenreglement Staten-Generaal, heeft recht op een eenmalige uitkering, tenzij het feitelijk genot van zijn bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenpremie dan wel indien er geen aanspraak bestaat op bezoldiging.
2. Voor de ambtenaar met een volledige arbeidsduur bedraagt de eenmalige uitkering f 1 000,00 (€ 453,78).
3. Voor de ambtenaar met een onvolledige arbeidsduur wordt het bedrag van de eenmalige uitkering vastgesteld op een evenredig deel naar rato van de arbeidsduur op 1 december 2001.
4. De eenmalige uitkering wordt gelijktijdig met het salaris over de maand december 2001 uitbetaald.
E
1. Voor zover artikel VI, onderdelen A, C en D, aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen, toegekend met toepassing van
artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, die ingevolge
artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende ministerie, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te geven aanwijzingen.
2. Voor zover artikel VI, onderdelen A, C en D, aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van
artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende ministerie, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
F
De bij artikel VI, onderdelen A, C en D, aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.
G
1. De ambtenaar die op 1 juli 2002 in dienst is op grond van het
Algemeen Rijksambtenarenreglementof het
Ambtenarenreglement Staten-Generaalen die krachtens werktijdregeling regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur heeft recht op een eenmalige uitkering.
2. De eenmalige uitkering bedraagt € 450, vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar op 1 juli 2002 geldende arbeidsduurfactor.
3. De eenmalige uitkering wordt gelijktijdig met het salaris over de maand juli 2002 uitbetaald.