De buitengewoon opsporingsambtenaar is, zodra hij met goed gevolg de opleiding beroepsvaardigheden Koninklijke marechaussee heeft voltooid, bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in
artikel 8, eerste en derde lid van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich overeenkomstig het bepaalde in
hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.