BWBR0013604
Artikel 2
Besluit naturalisatietoets
1 Een verzoeker beschikt over voldoende kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting
en maatschappij als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de
staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de samenleving van Nederland,
Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba kan functioneren.
2 Of hij beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting
en maatschappij, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld aan de hand van een
door Onze Minister op te stellen naturalisatietoets. Onze Minister stelt de naturalisatietoets
voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten vast na overleg met de Minister van Justitie van
het betrokken land.
3 De toets van de kennis van de taal omvat een onderzoek naar:
a. spreekvaardigheid;
b. luistervaardigheid;
c. schrijfvaardigheid; en
d. leesvaardigheid.
4 Onze Minister wijst de ambtenaren, autoriteiten of instellingen aan die de naturalisatietoets
afnemen. Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan Onze
Minister in overeenstemming met de Minister die het aangaat de beoordeling of de verzoeker
beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij,
bedoeld in het eerste lid, opdragen aan de autoriteit of ambtenaar die het verzoek
om verlening van het Nederlanderschap in ontvangst neemt.
en maatschappij als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de
staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de samenleving van Nederland,
Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba kan functioneren.
2 Of hij beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting
en maatschappij, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld aan de hand van een
door Onze Minister op te stellen naturalisatietoets. Onze Minister stelt de naturalisatietoets
voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten vast na overleg met de Minister van Justitie van
het betrokken land.
3 De toets van de kennis van de taal omvat een onderzoek naar:
a. spreekvaardigheid;
b. luistervaardigheid;
c. schrijfvaardigheid; en
d. leesvaardigheid.
4 Onze Minister wijst de ambtenaren, autoriteiten of instellingen aan die de naturalisatietoets
afnemen. Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan Onze
Minister in overeenstemming met de Minister die het aangaat de beoordeling of de verzoeker
beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij,
bedoeld in het eerste lid, opdragen aan de autoriteit of ambtenaar die het verzoek
om verlening van het Nederlanderschap in ontvangst neemt.