Indien aan een scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo en vbo of een school voor havo en vwo ingevolge
artikel 75, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijseen nevenvestiging wordt toegestaan, kan deze scholengemeenschap per nevenvestiging die voldoet aan de hierna genoemde voorwaarden beschikken over een aanvullende bekostiging die overeenkomt met de geldswaarde van één formatieplaats directie en één formatieplaats onderwijsondersteunend personeel (conciërge). De aanvullende bekostiging vindt plaats volgens de landelijke gemiddelde personeelslast (gpl) onderwijsondersteunend personeel en de voor de schoolsoortgroep, waartoe de scholengemeenschap behoort waaraan de nevenvestiging wordt toegekend, geldende landelijke gpl directie.
Een nevenvestiging komt slechts voor de aanvullende bekostiging in aanmerking indien:
1. de beoogde nevenvestiging zich bevindt op een afstand van tenminste 12 kilometer (gemeten over de weg) van de hoofdvestiging en er binnen een afstand van 12 kilometer van de beoogde nevenvestiging geen overig soortgelijk voortgezet onderwijs van de eigen richting (waaronder nevenvestigingen) aanwezig is;
2. de beoogde nevenvestiging op minder dan 12 kilometer van de hoofdvestiging is gelegen maar het bestaande voedingsgebied zich voor een substantieel deel (ten minste 30%) van de leerlingen uitstrekt tot een afstand van meer dan 15 kilometer van de plaats van de hoofdvestiging. Bovendien dient er binnen een afstand van 12 kilometer van de beoogde nevenvestiging geen overig soortgelijk voortgezet onderwijs van de eigen richting (waaronder nevenvestigingen) aanwezig te zijn.
Is de in de punten 1 en 2 beoogde nevenvestiging ontstaan door samenvoeging dan dient in deze situatie de voorheen zelfstandige school of scholengemeenschap, die als een nevenvestiging van een scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo en vbo of een school voor havo en vwo in aanmerking wil komen, op 1 oktober voorafgaande aan de samenvoeging een omvang van ten minste 120 leerlingen te hebben.
Het recht op de aanvullende bekostiging vervalt vanaf het schooljaar volgend op het schooljaar waarin het leerlingaantal van de desbetreffende nevenvestiging op 1 oktober minder dan 120 bedraagt.
Het recht op de aanvullende bekostiging herleeft vanaf het schooljaar volgend op het schooljaar waarin het leerlingaantal van de desbetreffende nevenvestiging op 1 oktober weer 120 of meer bedraagt.
Het staat het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap in principe vrij de hoofd- en nevenvestiging fysiek te verplaatsen over een afstand van niet meer dan 3 kilometer (over de weg gemeten). Een bovenbedoelde verplaatsing wordt automatisch goedgekeurd als deze is gemeld aan Cfi (zie paragraaf 2.3.1. van de beleidsregel VO/BOB/2001/28140 in Uitleg Gele katern nr. 18a deel 2 van 25 juli 2001). De bovenomschreven verplaatsing van een nevenvestiging kan niet alsnog leiden tot een aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak.