BWBR0013342
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 2.14
Vissersvaartuigenbesluit 2002
Waterloospoorten ... 1 Indien ter plaatse van een kuil op aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het werkdek een verschansing is aangebracht, wordt de minimum oppervlakte (A) van de waterloospoorten in m 2 in elk scheepsboord voor elke kuil op het werkdek in relatie tot de lengte (l) en hoogte van de verschansing als volgt bepaald: a. A = 0.07 l, waarbij l niet groter genomen behoeft te worden dan 0.7 L; b. 1°. indien de gemiddelde hoogte van de verschansing groter is dan 1200 mm, wordt voor elke 100 mm verschil in hoogte de vereiste oppervlakte van de waterloospoorten vergroot met 0,004 m 2 per meter lengte van de kuil; 2°. indien de gemiddelde hoogte van de verschansing kleiner is dan 900 mm, mag voor elke 100 mm verschil in hoogte de vereiste oppervlakte van de waterloospoorten worden verkleind met 0,004 m 2 per meter lengte van de kuil. 2 De oppervlakte van de waterloospoorten berekend volgens het eerste lid, wordt verhoogd indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat de zeeg van het vissersvaartuig niet voldoende is om zeker te stellen dat het water snel en doelmatig van het dek wordt geloosd. 3 Behoudens de toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bedraagt de minimum oppervlakte van de waterloospoorten voor elke kuil op het dek van een bovenbouw ten minste de helft van de oppervlakte (A), zoals bepaald in het eerste lid. 4 Waterloospoorten zijn zodanig langs de verschansing aangebracht dat water snel en doelmatig van het dek kan worden geloosd. De onderkanten van de waterloospoorten liggen zo dicht mogelijk boven het dek. 5 Lastplanken en inrichtingen waarmee vistuig wordt vastgezet, zijn zodanig aangebracht dat de werking van waterloospoorten niet vermindert. Lastplanken zijn zo geconstrueerd dat zij bij gebruik in de juiste stand kunnen worden vastgezet en de lozing van overkomend water niet belemmeren. 6 Waterloospoorten die meer dan 300 mm hoog zijn, zijn door staven met een onderlinge afstand van niet meer dan 230 mm en niet minder dan 150 mm beschermd of uitgerust met een andere passende voorziening ter bescherming. Indien kleppen zijn aangebracht, zijn deze van een goedgekeurd type. Indien inrichtingen voor het vastzetten van deze kleppen zijn aangebracht die nodig zijn voor het uitoefenen van de visserij, zijn deze vastzetinrichtingen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en zijn ze vanaf een gemakkelijk bereikbare plaats eenvoudig te bedienen. 7 Bij vissersvaartuigen die zijn bestemd om te worden gebruikt in wateren waar ijsafzetting kan voorkomen, kunnen kleppen en voorzieningen ter bescherming van waterloospoorten gemakkelijk worden verwijderd teneinde ijsafzetting te beperken. De afmeting van openingen en middelen voor het verwijderen van deze voorzieningen ter bescherming zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.