1. Indien een werkgever niet gedurende een periode van in totaal drie respectievelijk één jaar premiekorting als bedoeld in
artikel 79b, eerste respectievelijk tweede lid, van de WAOen de
artikelen 82, tweede respectievelijk derde lid,
82a, eerste respectievelijk tweede lid, en
97c, zesde respectievelijk zevende lid, van de WWheeft genoten, worden dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever die elkaar met tussenpozen van:
a. minder dan 3 maanden opvolgen, geacht niet te zijn onderbroken en worden de perioden waarin aanspraak bestaat op premiekorting opgeteld totdat in totaal drie respectievelijk één jaar premiekorting is genoten;
b. 3 maanden of meer doch ten hoogste 3 jaar opvolgen, ontstaat geen nieuwe aanspraak op premiekorting en beslaat de premiekortingsperiode het moment dat de eerdere premiekortingsperiode een aanvang nam totdat respectievelijk drie of één jaar zijn verstreken, zonder dat over de tussenliggende periode aanspraak op premiekorting bestaat.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de dienstbetrekking in de periode bedoeld in onderdeel a of b niet is onderbroken terwijl in de genoemde periode geen aanspraak op premiekorting bestond.