1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
b. de Arbeidstijdenwet;
c. de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
d. de Kernenergiewet;
e. de Wet arbeid vreemdelingen;
f. de Wet milieugevaarlijke stoffen;
g. de Warenwet;
h. de Stoomwet;
i. de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs;
j. het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen 1945;
k. de Wet op de ondernemingsraden;
l. de Wet goederenvervoer over de weg;
m. de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart;
n. de artikelen 161sexies, 161septies, 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 189, 197, 197a, 197b, 197c, 197d, 199, 225, 226, 227, 227a, 227b, 231, 266, 307, 308, 323a, 350a, 350b, 362, 363, 435, onder ten vierde, en 447b van het Wetboek van Strafrecht, voor zover dit feit van belang is voor de uitoefening van zijn functie;
o. de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.