1. Aan de hoofden van de diensten en de hoofden van de organisatieonderdelen wordt mandaat verleend tot het:
a. nemen van besluiten die verband houden met hun taak, zoals vermeld in artikel 2;
b. nemen van beslissingen op bezwaar, met inachtneming van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tegen besluiten die verband houden met hun taak, zoals vermeld in artikel 2;
c. vaststellen van beleidsregels die verband houden met hun taak, bedoeld in artikel 2.
2. Aan de hoofden van de diensten en de hoofden van de organisatieonderdelen wordt volmacht verleend tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen voor zover het aangelegenheden betreft die verband houden met hun taak, bedoeld in artikel 2.
3. De hoofden van de diensten en de hoofden van organisatieonderdelen worden gemachtigd tot het verrichten van andere handelingen dan het nemen van besluiten of het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, die verband houden met hun taak, bedoeld in artikel 2.
4. De hoofden van de diensten en de hoofden van de organisatieonderdelen worden gemachtigd tot het afdoen van alle overige stukken die verband houden met hun taak, bedoeld in artikel 2.