1. De ambtenaren, bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 23 december 1993, nr. RJW 162891 (Stcrt. 1994, 12), aangewezen als ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van de
Wet verontreiniging oppervlaktewaterenzijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
de Wet milieubeheer ten aanzien van gevaarlijke afvalstoffen;
de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschappen (PbEG L 30);
de Wet bodembescherming, voor zover het betreft het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IV, paragrafen 5.1, 5.3 en 5.4, met betrekking tot rijkswateren.
2. De ambtenaren van de scheepvaartinspectie, bedoeld in
artikel 10 van de Schepenwet, zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
hoofdstuk 4,
paragraaf 1, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, voor zover het betreft het
Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten 1995aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren, met uitzondering van de schepen als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onder a, van de Schepenwet.
3. De ambtenaren van de Rijksverkeersinspectie, die bij het
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaarRVI 1995 zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar, zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
de Wet milieubeheer ten aanzien van gevaarlijke afvalstoffen;
de Wet milieubeheer ten aanzien van inrichtingen die behoren tot categorieën die zijn genoemd in bijlage I, onder 2.1, onder a, 3, 4.1 onder a, 5 en 14.1, onder a, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn;
de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschappen (PbEG L 30);
hoofdstuk 4, paragraaf 1, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake het vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn;
hoofdstuk 4, paragraaf 2, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
de Interimwet bodemsanering, voor zover het betreft het toezicht bij het vervoer van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen;
de Wet bodembescherming, voor zover het betreft het toezicht bij het vervoer van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen.