1. De bewijzen van bevoegdheid om op te treden als bestuurder van een helikopter of als boordwerktuigkundige van een luchtvaartuig, die zijn afgegeven na 30 juni 2001, worden aangemerkt als te zijn afgegeven op grond van het
Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart.
2. De opleidingsinstellingen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde bewijzen van bevoegdheid, welke na 30 juni 2001 worden erkend als opleidingsinstelling, worden aangemerkt als te zijn erkend op grond van het
Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart.
3. De opleidingsinstellingen, welke na 31 mei 2001 erkend zijn als opleidingsinstelling voor het verkrijgen van een JAR-66-AML, worden aangemerkt als te zijn erkend op grond van het
Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart.